Wie zoekt, vindt.
Wie roept, klinkt.
Want wie doet uit doeken
over wat barst uit voegen,
van straathoek tot erfgoed,
krijgt langzaamaan een nieuw gezicht.
Van publiekstrekkers waar niets te gek is
tot plek waar je even zit,
kijkt voorbij de maskers
en voorbij wat achter de horizon ligt.
Een plek waar je eindigt
en dan tegelijkertijd begint.
Een paar zinnen inkt en bezint.
Midden in dit ding schijnt er licht.
Tussen de wanden als vlammen die traag
aan de binnenkant van de open haard likken,
tot neuronen. Dit is geen woning,
het leeft gewoon alsof het een organisme is.
Een soort van levend ding
met meningen die spreken van iemand die heel veel vindt:
een taxateur, een activist, een provocateur en een archivist,
professional, amateur of hobbyist.
De lol die zit hem daar tussenin,
tussen de ruimtes.
Maak plek
voor plekken waar
maken het logisch gevolg is van er is te gebruiken,
spot waar het hot is,
en broed op wat maakt dat die plaats daadwerkelijk luistert,
waardoor ze een thuis is voor wie een huis mist.
Als juist dit ontbreekt, ontluikt
entropie.
Je moet zoeken in de voegen,
en zelfs dan vind je niet
wat er tussen de ruimtes ligt.
Het is haast magie
en broodnodig, niet hoog over.
Op straatniveau voel je de urgentie.
Ach, vandaag, waar niet?
Ze hieven hier tol in het verleden,
nu tollen de koppen door de
tongen die we spreken,
constructies die we takelen.
Wat een gevaartes
herrijzen uit aarde, ware torens van Babel.
Megalomaan hoe onder de skylines
van de tweelingsteden
de Waal en Rijn op beekjes leken.
Van rivieren tot zeeën
kon je het vanaf hier bezien.
Nu kunnen we dat beleven,
voor in ieder geval nog heel even.
Wie zoekt, vindt.
Wie roept, klinkt.
Want wie doet uit doeken
over wat barst uit voegen,
van straathoek tot erfgoed,
krijgt allemaal een nieuw gezicht.